vrijdag 25 mei 2018

59 doden


Het is 14 mei 2018. Om 20.00 uur staat het aantal door Israël gedode Palestijnen op 59.

Ik ben altijd opgelucht als we op het Journaal dat onderwerp hebben gehad. En dan brengt het Journaal het nog op een relatief uitgebalanceerde manier. Ze vertellen over de waarschuwingen die het Israëlische leger tevoren geeft, over de interpretatie door Israël van plaatsing van explosieven en overschrijding van de grens als vijandelijke handelingen. En vervolgens over het schieten met scherp.

Wat een verschil met bijvoorbeeld het Franse nieuws. In ieder geval met France 2, dat op 14 mei volledig koos voor het Palestijnse perspectief, uitsluitend daar beelden van gaf, met veel oog voor de heroïek achter de brandende banden. Dat zal te maken hebben met de Franse sympathie voor verzet tegen gevestigde belangen, zolang het niet hun eigen belangen zijn.

In de regel is dat met de Nederlandse media die ik tot me neem inderdaad wel beter gesteld; de dilemma’s komen daarin beter uit de verf dan in de Franse. In Trouw kwamen bijvoorbeeld twee internationaal juristen aan het woord die menen dat veel van het gedrag van Israël volgens internationaal recht gewoon geoorloofd is. Zoals het verdedigen van grenzen, het tegenhouden van een dreigende invasie, en zelfs het doelbewust doden van mensen, al ben je gehouden om het aantal dodelijke slachtoffers zoveel mogelijk te beperken. “Het lijkt er niet op dat ze dat hebben gedaan.”

Trouw beperkt zich niet tot de visie die (terecht) alom wordt gehoord: dat de Gazanen, en masse opgesloten als ze zijn op een paar vierkante kilometer, geen menswaardig leven hebben – in de woorden Stevo Akkerman: “die wanhoop in Gaza is reëel en zit diep.” In die zelfde krant toont Monique van Hoogstraten daarnaast ook het dilemma van een kibboetsbewoonster die uitkijkt op de Gazastrook: “Mijn zoon is net uit het leger. Ik zou niet willen dat hij daar moest staan om iemand dood te schieten. Maar aan de andere kant: als ze met een massa doorbreken…dat wil je ook niet.”

Dan blijkt dat over de impact van zo’n doorbraak weldenkende mensen nogal van mening kunnen verschillen, en dat laten de Nederlandse media goed zien. Crescas-columnist Salomon Bouman vraagt zich af: “Was het wel een front in de militaire zin van het woord? Werd Israël werkelijk bedreigd?” De twee juristen die in Trouw aan het woord komen, menen dat een doorbraak op te vangen zou zijn met arrestatie en berechting. En dat de instructie om te schieten met scherp dus buitenproportioneel is.

Omdat ik zelf nog niet voor me zie hoe je een massale doorbraak met arrestaties en berechting kunt pareren, herken ik mijn eigen positie beter bij Van Hoogstraten. Zij stelt, in reactie op de vraag van Hamasleider Yehya Sinwar: “Wat is het probleem als honderdduizenden het grenshek bestormen dat niet eens een staatsgrens is?”, het volgende: “Dat is voor Israël een immens probleem. Het leger grijpt juist zo hard in om te voorkomen dat eerst een kleine groep Palestijnen door het hek breekt, en daarna een massa de grens over zou steken. Wat er dan zou gebeuren is niet te overzien.”

Ten slotte citeert Trouw de Gazaanse politiek analiste Reham Owda als volgt: “Hamas is erin geslaagd de aandacht van de wereld te krijgen voor de Palestijnse zaak. Ze hebben begrepen dat ze niet nog meer mensen konden opofferen.” Het is inderdaad niet menswaardig zo te moeten leven.

Zie ook Er verandert niet veel

vrijdag 11 mei 2018

Wijntje of trijntje


Etnisch profileren is natuurlijk niet goed. Maar ook zo natuurlijk dat het bijna vanzelf gebeurt.

Zo heb ik weleens gelezen dat in de negentiende eeuw een Amsterdamse hoofdcommissaris van politie bepaalde soorten overtredingen koppelde aan bevolkingsgroepen. Hij had vastgesteld dat openbare dronkenschap en andere alcohol-gerelateerde overtredingen over het algemeen een zaak waren van autochtone Amsterdammers. Bij overtredingen op het gebied van prostitutie en zedendelicten waren in meerderheid allochtonen – ofwel, in die tijd: Joden – betrokken.

Ik moest daaraan denken toen ik onlangs in de krant las over Israëlische onderzoekers die met behulp van fruitvliegjes hebben vastgesteld dat alcohol voor dezelfde beloning in de hersenen zorgt als seks. Dus dat alcohol en seks rivaliserende prikkelmiddelen zijn.

De fruitvlieg, schrijven Israëlische biologen in het vakblad Current Biology, beleeft zijn extase tijdens de zaadlozing. Dat konden ze laten zien door de ejaculatie kunstmatig op te wekken. Daarvoor maakten ze gebruik van een bepaald soort rood licht dat de mannetjes-vliegjes op die momenten in opperste staat van geluk bracht, zonder dat er seks aan te pas was gekomen. Ze waren daarna volmaakt tevreden, en hadden nergens meer behoefte aan.

Dat bleek als de vliegjes na blootstelling aan het rode licht zoete drankjes kregen voorgeschoteld, waarvan een deel met alcohol. De seksueel verzadigde vliegjes kozen bijna allemaal voor suikerwater zonder alcohol. De mannetjes daarentegen die op seksuele onthouding waren gezet, zochten hun bevrediging elders. In de drank, met name.

Een beetje zoals Katholieke celibatairen zich vroeger moesten troosten met een ‘wijntje’ voor het gemis aan een ‘trijntje’. Het zou, afgaand op dit onderzoek, dus goed kunnen kloppen dat de keuze voor een favoriet pepmiddel per bevolkingsgroep en etnische cultuur verschilt. En dat die keuzes tot in de overtredingensfeer terug te zien zijn.


donderdag 3 mei 2018

Een kwestie van volwassenheid


Waarom is het in onze Westerse samenleving toch zo moeilijk geworden om serieus weerwerk te bieden aan een doorgeschoten kapitalisme? Waarom komen we in veel gevallen niet verder dan wat puberaal anarchisme en onmachtige verzetsretoriek?

Die vraag komt in me op nu ik op de Franse televisie alweer maanden lang de beelden zie van stakende machinisten en piloten, van een geweldsorgie op 1 mei in de straten van Parijs, maar vooral van de verbeten verdedigers van een anarchistisch vrijstaatje, door henzelf aangeduid als Zone-à-défendre (ZAD). Het gaat om een gebied van 25 hectare bij het plaatsje Notre-Dame-Des-Landes, dat een jaar of twintig geleden was aangewezen als de locatie voor een nieuw aan te leggen vliegveld, en dat vervolgens is bezet door tegenstanders van het vliegveldplan. Dat plan is nu afgeblazen, maar de bezetters weigeren hun territorium te verlaten, met een beroep op hun autonome en ecologische manier van leven daar. Inmiddels resulteert dit in dagelijkse gevechten tussen de handhavers namens de staat en de activisten, met flink geweld van beide kanten.

Ik vind het er vrij zielig uitzien, maar tot mijn verbazing krijgen de ‘zadisten’ steun uit heel Frankrijk. Van bejaarden tot en met gezinnen met jonge kinderen komen hun sympathie betuigen aan de utopisten, vanwege ‘de manier van samenleven’ die zij praktiseren. Het is duidelijk: hier zijn diepe drijfveren en verlangens in het spel. En een krachtige verzetsromantiek die teruggaat op de Franse Revolutie.

Ik bezie dat alles met verbazing, omdat de onmachtigheid van de utopie zo in het oog springt. Hindermacht hebben de bezetters ongetwijfeld, maar is er ook het vermogen tot een realistisch en constructief alternatief?

Ik ben bang van niet. De eerste, en meest akelige reden voor dat pessimisme is de doordringende almacht van het kapitalisme. Dat is zo alom aanwezig en luidruchtig, dat de enige mogelijkheid van verzet nog slechts lijkt te kunnen bestaan in heel hard terugschreeuwen. Omdat je jouw deel van de koek wilt (de machinisten) of omdat je juist niet mee wilt doen (de zadisten). Misschien lucht het op, maar het zet geen zoden aan de dijk.

De tweede reden, niet minder belangrijk, is dat men het daarbij laat. De verzetscultuur is niet altijd even goed doordacht. Het voedt zich met romantische en utopische ideeën over zuiverheid en onthechting die al gauw krachteloos worden. Die zijn geen partij voor de akelig overweldigende kracht van het kapitalisme.

Het lijkt wel of de zuidelijke helft van Europa (ik denk vooral aan Frankrijk en Italië) van die verzetsromantiek meer last heeft dan de noordelijke. De schrijver Jean Peyrelevade koppelt dat aan de invloed van het Katholicisme in die landen. Een meer nuchtere, zakelijke omgang met geld heeft zich in het Katholicisme volgens hem niet goed kunnen ontwikkelen, omdat geld daar altijd in een kwade reuk heeft gestaan. Het had teveel met het wereldse en te weinig met het hemelse van doen. Geld verdienen was verbonden met schuld, en het vergaren van fortuin met zonde. Dat kon je beter aan vreemden overlaten, bijvoorbeeld Lombarden of Joden. En je vervolgens boos maken over  alles wat met geld te maken heeft.

Volgens Peyrelevade heeft het Protestantisme, dat vooral in de noordelijke helft van Europa succesvol was, die wereldvreemde kantjes afgeslepen van de overgeleverde opvattingen. Voor Protestanten was er niets mis met geld verdienen. In plaats van utopisch verzet tegen alles wat met geld te maken heeft, ontwikkelden zij een meer volwassen omgang met geld en andere wereldse zaken. Verklaart dat misschien dat de verzorgingsstaten in Noord-Europa robuuster zijn dan die in Zuid-Europa?

Zie ook Denken doet ertoe

vrijdag 27 april 2018

Wie verzint zoiets?


Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Israël zond Nieuwsuur afgelopen vrijdag een kleine documentaire uit over de Israëlische veiligheidsdiensten. Want die speelden een cruciale rol in dat zeventigjarige bestaan. De documentaire benadrukte dat de Mossad en de Shin Bet – zoals trouwens gebruikelijk voor geheime diensten – geen wetten respecteren, en dat er in totaal 2700 mensen zijn omgebracht door hun acties.

De reportage gaf op zichzelf een adequaat beeld van het functioneren van de veiligheidsdiensten. Daarbij kwamen hoofdzakelijk Israëliërs aan het woord, en zij spraken duidelijk over de dubieuze kanten van het intelligence-werk, met als speciaal aandachtspunt dat Israëlische politici door het succes van de veiligheidsdiensten de neiging kunnen hebben om minder van diplomatieke middelen gebruik te maken.

Ik vond het geen verkeerde reportage. Maar wat me bevreemdde is dat de NPO ervoor kiest om die uitgerekend op Israëls verjaardag te programmeren. Over de geheime operaties van bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Frankrijk van de afgelopen zeventig jaar zou je beslist een even lange en indrukwekkende lijst van soortgelijke wetteloze en moorddadige acties kunnen opstellen. Ook daarvan is de relevantie om erover te berichten zonneklaar, maar wie zou het verzinnen om dat uitgerekend op 4 (Independence Day) of 14 juli (Quatorze Juillet) te doen? De impliciete boodschap daarvan kan toch niet anders zijn dan dat die landen geen nationaal feest waard zijn, ja, dat hun bestaan maar dubieus is.

De keuze van de NPO is dus een behoorlijk venijnige, waarschijnlijk voortvloeiend uit verontwaardiging en boosheid over het uitzichtloze conflict tussen de Palestijnen en Israël, dat inderdaad niet los te zien is van de stichting van de staat. Bij die boosheid kan ik me van alles voorstellen, want Israël wekt – zacht gezegd – niet de indruk veel moeite te doen om de relatie met de Palestijnen te verbeteren. De interne verdeeldheid in het Palestijnse kamp speelt daarin een rol, maar Netanjahoe lijkt dat wel best te vinden.

Alle reden dus om kritisch naar Israël te kijken, maar op sommige dagen doe je dat beter niet, zoals 4 mei of Israëls onafhankelijkheidsdag, want dat is een klap in het gezicht van diegenen die hun leven aan dat land te danken hebben. Die zijn er namelijk ook.

Zie ook 4 mei 2012

vrijdag 13 april 2018

Levinas en Nietzsche


Emmanuel Levinas met Friedrich Nietzsche te vergelijken lijkt misschien in eerste instantie zoiets als J.S.Bach te vergelijken met Mick Jagger. Nietzsche staat te boek als een onstuimig type, terwijl Levinas eerder iets heeft van de gezeten Franse burger. Maar die burgerlijke façade verbergt naar mijn overtuiging een zeer revolutionair denken – zoals misschien Bach ook een stuk wilder is dan over het algemeen gedacht wordt. Daarbij heeft Levinas zich voor een deel beslist door Nietzsche laten inspireren.

Voor zover er parallellen te vinden zijn tussen beide filosofen betreft dat aspecten van hun denken die ik bepaald sympathiek vind. Die punten zijn:
- de aandacht voor de lichamelijkheid van de mens
- de aanval op het abstracte denken
- de voorkeur voor doorleefde waarheid
- de liefde voor de volheid van het leven
- een eigensoortig, gelouterd gevoel voor transcendentie.

Onderstaand loop ik ze kort even door, vooral aan de hand van een studie van filosoof en journalist Laurens Verhagen, die werk gemaakt heeft van de vergelijking tussen Levinas en Nietzsche.

Verhagen stelt dat bij Nietzsche levenswaarden in het leven zélf, dus in de zintuiglijke wereld moeten  worden gevonden. Je kunt zeggen, meent hij, dat Nietzsche filosofeert vanuit de lichamelijkheid. Een soortgelijke aandacht neemt Verhagen waar bij Levinas. Letterlijk zegt Verhagen over beiden: “Ze filosoferen met een totale overgave, met hun gehele lichaam”. Ik denk dat hij, voor zover het Levinas betreft, vooral denkt aan diens beschrijvingen in het boek De totaliteit en het Oneindige van de mens als genietend en arbeidend wezen.

Als lichamelijkheid zo’n beetje het tegendeel is van abstract denken, dan ligt het voor de hand dat Nietzsches positie hem in regelrechte aanvaring brengt met de mainstream van de gevestigde filosofische traditie  – vanaf Plato via het Christendom tot aan het tijdloze ego van de modernen. Want daarin wordt een voorkeur gekoesterd voor het abstracte denken. Dat wil zeggen voor een zo onthecht mogelijk en zuiver denken, niet gehinderd door passies, behoeften en lichamelijkheid. Dit zoeken naar abstracte waarheid wordt door Nietzsche benoemd als levensvijandig en nihilistisch.

Zo voelt Levinas dat ook, al zal hij niet zo gauw het Christendom aanvallen, maar eerder het moderne subjectdenken. In feite, zegt Levinas, leidt de almaar abstractere opvatting van mens-zijn in het Westen misschien wel tot bevrijding van het individu, maar ook tot leegte, eenzaamheid en geweld. De filosoof Carl Cederberg zegt het zo: “For Nietzsche, as well as for Levinas, philosophy is critique, a critique that is ultimately not for the sake of the philosophising ego, but for something other. Nietzsche names this other ‘life’; for Levinas, this critique points towards a concern for the neighbour”.

Het gaat Nietzsche dus eigenlijk ook nog steeds om waarheid, maar het moet wat hem betreft voortaan gaan om een meer concrete, doorleefde en doorvoelde waarheid, als tegenovergesteld aan de traditionele abstracte waarheid. Waar velen Nietzsches afwijzing van de traditionele waarheidsqueeste alleen maar konden zien als heiligschennis, tonen de enkele woorden in Humanisme van de andere mens die Levinas aan Nietzsche heeft gewijd een verrassend positieve strekking. Levinas heeft het daar over “een nietzscheaans woord, een profetisch woord, zonder statuut in het zijn, maar ook zonder willekeur, want voortgekomen uit eerlijkheid, dat wil zeggen uit pure verantwoordelijkheid voor de ander”. Dit is te begrijpen vanuit de waardering die Levinas kan opbrengen voor de waarachtigheid en eerlijkheid waarmee Nietzsche zijn woorden verkondigt. Verhagen zegt daarover: “We noemen Levinas en Nietzsche beide moralisten, in de meest brede zin: ze laten zien hoe men moet handelen om een waarachtig leven te hebben”.

Nietzsche verlangt naar de volheid van het leven. Zijn weerzin tegen het cerebrale karakter van veel Westerse filosofie komt voort uit zijn overtuiging dat het abstracte denken de inhoud uit het leven wegzuigt. Daarom noemt hij het levensvijandig. Wat overblijft is een bloedeloos karkas, een nihilisme waarvan de waarden niet in het leven zelf liggen. Behalve armetierig leven levert dat, volgens Nietzsche, ook een armetierige moraal op. Hij spreekt met betrekking tot het Christendom dan ook van een ‘slavenmoraal’ die het moet hebben van zelfopoffering en dienstbaarheid. Daartegenover stelt Nietzsche de noodzaak van het verlangen naar een, ook materieel gezien, vol leven. Een zekere mate van egoïsme is daarvoor beslist vereist, en dus goed.

Als het daarover gaat citeert Levinas Nietzsche met instemming, namelijk uit Also sprach Zarathustra: “Ik houd van degene wiens ziel overvol is, zodat hij zichzelf vergeet en alle dingen in hem zijn: aldus worden alle dingen zijn ondergang”. Immers, zegt Verhagen, de nietzscheaanse mens stroomt over van levenskrachten; het leven is schenken geworden. Dat sluit aan bij wat Levinas zegt over de volheid van leven, als enige bron van waaruit gastvrijheid aan de andere mens kan worden geboden. Verhagen: “Verantwoordelijkheid is nooit los te zien van het egoïstische ik dat bezit en iets te schenken heeft”.

Tenslotte is er de transcendentie bij Nietzsche. Het zou kunnen lijken alsof Nietzsche korte metten maakt met alle transcendentie. Hij stelt zich te weer tegen allesoverstijgende, maar daardoor bleke en abstracte eeuwige waarheden. Maar daarmee bant hij niet alle transcendentie uit, alleen is voor hem die overstijgendheid gelegen in het ongrijpbaar korte maar volle moment van het heden. Dat moment opent voor hem het perspectief op de oneindigheid. Met niet zozeer de nadruk op een oneindig zijn of wezen, maar op een oneindig worden. Daar kan het gebeuren dat je boven jezelf uitstijgt. Want in het heden, zo laat Nietzsche zien, ontmoeten we het oneindig verre andere dat we niet zomaar binnen onze kaders kunnen halen.

Wat Verhagen zegt over de transcendentie bij Nietzsche, kan met een kleine aanpassing ook gezegd worden voor Levinas. Beiden wijzen als plaats voor het optreden van het transcendente de ondeelbaar kleine ruimte aan van het heden: de ongrijpbare, maar overvolle split second. Daarin, zegt Verhagen, ontmoeten we volgens Nietzsche én Levinas,  het oneindige andere. Alleen, bij Levinas krijgt dat andere de gedaante van de Ander die we niet zomaar in door ons bedachte schema’s kunnen stoppen.

Tot slot moet ik het nog even hebben over wat me niet aanstaat bij Nietzsche. Een unheimisch aspect is dat bij hem de mens als het ware de nieuwe god geworden is. De door hem gedroomde mens die boven zichzelf uitstijgt krijgt een ongezond aureool, en wordt door Nietzsche aangeduid als de ‘Übermensch’. Dat spreekt me niet aan, ook door wat anderen daar vervolgens mee gedaan hebben. Dit onderdeel van Nietzsches denken is bijvoorbeeld misbruikt door de nazi’s die er een stimulans in ontdekten voor hun idee van het onderscheid tussen Herrenvolken en Slavenvolken, met het Duitse volk als ras van supermensen. Maar is ook niet een verder fatsoenlijke filosoof als Sartre, die de menselijke autonomie verabsoluteert, daarin geïnspireerd door Nietzsche?

Op dit punt biedt Levinas tegenwicht. Want zo is het bij Levinas beslist niet: de transcendentie komt bij hem niet van de kant van het zelf, maar per definitie van de kant van het niet-ik.

Maar om daar uit te komen moet Levinas wel dezelfde vijand bestrijden als Nietzsche: de vijand van de op een voetstuk gezette denkende mens. Levinas kan daarbij steunen op, volgens Cederberg, het ‘nietzscheaanse woord’ dat, jeugdig en authentiek als het is, door het dode hout van de traditie snijdt. Levinas, vervolgens, “uses youth as a way of framing the very promise of critique, of philosophy”, aldus Cederberg.

Zie ook Bijna, en In je hoofd

vrijdag 30 maart 2018

Primitief?


Je mag, zoals velen doen, de Hebreeuwse Bijbel afdoen als een archaïsch, achterhaald geschrift. Maar je hebt kans dat je de relevantie ervan dan met volle kracht in het gezicht teruggeworpen krijgt.

Ik doel nu, in deze Pesachtijd, op de archetypische betekenis van het farao-verhaal. Daarin wordt verteld over een dictatoriaal, pyramidaal ingerichte samenleving waarin een heerser voor het leven de verhoudingen bepaalt en heerst over leven en dood van alle anderen. Kan het actueler met om ons heen een toenemend aantal despoten? Zoals Erdogan die tegenstanders opsluit en de pers monddood maakt, zoals Xi Jinpin die zich voor het leven laat benoemen en Poetin die zichzelf blijvend aan de macht manipuleert. En met Trump die alleen door de Amerikaanse rechtstatelijke instituties wordt weerhouden om hetzelfde te doen (hopelijk).

En dan – we vieren het vandaag – zet de Hebreeuwse Bijbel daar zomaar het bevrijdende tegendeel tegenover: van een onwaardig geacht slavenvolk dat zich met de hulp van zijn god aan de onderdrukking ontworstelt. Dat is rebellie van iconische betekenis.

Om de parallel daarvan met de actualiteit erin te houden, is het zaak om ook op de verschillen te wijzen tussen het Bijbelse bevrijdingsverhaal en onze situatie. Wij hoeven niet bevrijd te worden, wij leven al decennia in ongeëvenaarde vrijheid.

Maar ook in die situatie werkt het verhaal inspirerend. Het kan ons ertoe zetten om onze vrijheid goed op waarde te schatten. En om de hedendaagse farao’s niet te onderschatten. Als Europa niet over kernwapens beschikte, zou het misschien al lang overlopen zijn.

Dat klinkt cynisch, maar het Exodusverhaal vertelt mij dat die kernwapens legitiem zijn, zolang ze maar dat doel dienen: farao’s op afstand houden en vrijheid, democratie en rechtsstaat bevechten tegen onderdrukking.

Is de Bijbel inderdaad achterhaald? Of zijn wij eigenlijk even primitief?

Zie ook Farao en Scientific management

donderdag 22 maart 2018

Rafelranden


Voor god spelen gaat nog wel. Maar dat te combineren met onze humane ideeën over dierlijke waardigheid levert tragi-komische gevallen van menselijke zelfoverschatting op.

Het lukt de god-mens wel om een stuk ‘vrije natuur’ te creëren. Zet een hek neer, zoals om de Oostvaardersplassen, plaats daarbinnen grote grazers, ganzen, edelherten, net naar gelang de laatste wetenschappelijke inzichten. Plan de bijpassende vegetatie, hoog of laag, en regel de waterstanden, soms wel tien verschillende, onderling van elkaar gescheiden door damwanden. Perfect!

Maar vervolgens gooit de mens-mens roet in het eten. Want die kan het niet aanzien dat er in het door de god-mens ontworpen regime verliezers zijn zoals zwakke wilde grazers of ganzen die geen voedsel meer vinden vanwege de lage vegetatie. Vervolgens moet er bijgevoerd worden, of opnieuw geprutst aan de waterstanden, beesten en vegetaties.

Dus eigenlijk is het niet waar, we kunnen helemaal niet voor god spelen. Ideale natuurgebieden nastreven is een utopie. In ieder geval voor de mens, maar misschien kon God het zelf ook niet echt.

Zelf zou ik de keuze wel willen maken voor een gematigd cultuurlandschap, ongeveer zoals het in Nederland was tot in de jaren vijftig. Dat wil zeggen: veel boerenland, dat is het stuk in cultuur gebrachte natuur dat we nu eenmaal nodig hebben om via de landbouw in onze voedselbehoeften te voorzien. Maar dan met flinke rafelranden eromheen, van bosschages, wilde bloemen, heggen. Dus in plaats van dat zielloze, door-en-door gerationaliseerde Manschotland wat meer liefdevolle verwaarlozing. Allicht zullen de lappen grond vanwege de gebruikte machines en methoden een stuk groter moeten zijn dan ze in de jaren vijftig waren, maar wat meer tolerantie voor stroken land die niet honderd procent rendabel zijn zou de vriendelijkheid bevorderen. Strakke, steriele afbakeningen kunnen best wat worden verzacht.

Eigenlijk, zit ik te denken, zou ik daar de voorkeur aan geven op nog veel meer terreinen van ons menselijk handelen. Bijvoorbeeld in onze omgang met onze ménselijke natuur, met elkaar en met onszelf. Zou iets minder beheersingsdrang en wat meer gemoedelijkheid ook daar niet een verademing zijn? Wat meer tolerantie voor onze rafelranden, het schijnt dat vooral Vlaamse psychiaters daarvoor pleiten.

Zie ook: Het verlangen naar Krabbegat

vrijdag 16 maart 2018

Zo werkt het dus


In deze column vindt u voor de verandering weinig tekst van mezelf. Het belangrijkste deel zal bestaan uit de letterlijke weergave van een twitterconversatie over Israël en antisemitisme.

Mijn motief om de conversatie te presenteren is dat de uitwisseling een goede illustratie biedt van de manier waarop vage noties het gesprek – voor het grootste deel ongewild en onbewust – in antisemitische richting kunnen sturen, en in combinatie met de reacties daarop uiteindelijk volledig doen ontsporen.

Daarbij gaat mijn interesse speciaal uit naar de cocktail van oprechtheid, onoprechtheid en giftige, al dan niet bewuste vooroordelen, die op een curieuze manier door elkaar lopen, en waarin de oprechtheid het per saldo verliest van het vergif. Door deze dynamiek is tegen het einde van het gesprek een zachte landing onmogelijk geworden.

Om die vernietigende wisselwerking tussen oprechtheid, onoprechtheid en vergif goed te laten uitkomen, zal ik bij de weergave van de conversatie bij een aantal tweets vermelden – als daar aanleiding voor is – of ik de daarin gedane uitspraak opvat als
- een onbereflecteerde uitspraak, en daarom niet per se kwaadaardig
- blinde vergoelijking of onachtzaamheid, en daarom verwijtbaar
- moedwillige verdraaiing of grofheid, dus kwaadaardig.

Bij toekenning van die kwalificaties laat ik me in eerste instantie leiden door de uitgangspunten dat deelnemers aan de discussie 1. In principe van goede wil zijn; 2. Altijd wel niet geheel bereflecteerde uitspraken doen; 3. Niet altijd weten hoe ze daarbij aan hun vooronderstellingen komen.

Voor het begrip van de conversatie is het van belang om te weten dat het gesprek start met een tweet van Nasrdin Dchar waarin hij opmerkt dat, op de dag van de Amsterdamse herdenking van de Februari-staking, in Israël tienduizenden mensen de straat op gingen om te demonstreren tegen de deportatie van Afrikaanse asielzoekers. Marieke Hoogwout begrijpt in een reactie niet waarom Dchar Israël noemt in combinatie met de Februari-staking, en noemt dat selectief gebruik van de herdenking van moedig verzet tegen fascisme. Vanaf dit punt geef ik de letterlijke tweets weer. Ik sluit af voordat de ontsporing begint.

Nasrdin Dchar:‏ “Selectief?! Hoe selectief is t dat we hier stilstaan bij de enige staking in NL tegen de jodenvervolging en dat in Israël mensen gedeporteerd gaan worden. Snap je het dan echt niet. Wat ik wil zeggen is, dat de mens helaas niet handelt naar de woorden: opdat we nooit vergeten.”

Marieke Hoogwout: “Dat ben ik honderd procent met je eens. Wat ik niet begrijp is waarom je Israël als enige land hierbij sleept. Juist dat groepsdenken, wat jij hier ook lijkt te doen, is de bron van zo veel ellende in de wereld.”

Jan Hoogland: “Israël is de bron van veel ellende in de wereld. Als je dat niet ziet......”
Kwalificatie: onbereflecteerde uitspraak, getriggerd door Palestijnse ellende; Hoogland vindt de toevoeging ‘in de wereld’ kennelijk adequaat. Zo werkt dat dus.

Marieke Hoogwout: “ik geloof dat jij het punt van deze discussie zowel volledig mist,  als ongewild bewijst, Jan.”

Anoniem1: “Beste Jan, waarom is Israël de bron van veel ellende in de wereld? Oprechte vraag”.

Jan Hoogland:‏ “‘in de wereld’ heb ik niet gezegd, maar dat is niet zo relevant eigenlijk. Israël bezet al 51 jaar Palestijns gebied en gedraagt zich daar net als de Duitse bezetter in 40-45 hier deed. Dat veroorzaakt veel ellende voor de Palestijnen. Zo simpel is het.”
Kwalificatie: blinde vergoelijking van zijn eigen uitspraak; Hoogland snapt nu de lading van ‘in de wereld’: alsof Israëls handelen een unieke, kosmische dimensie heeft; dat wil hij bij nader inzien niet gezegd hebben.

Anoniem1:‏ “Wat staat daar dan?” (met plaatje erbij van de tekst ‘in de wereld’ uit de tweet van Hoogland)

Jan Hoogland:‏ “OK, maar het maakt niet veel uit volgens mij, of ik dat er nou bij zet of niet. Ellende = altijd in de wereld, behalve buitenaardse ellende. Maar als je wilt kwantificeren: honderdduizenden mensen zijn al 51 jaar vluchteling of zuchten onder bezetting. Dat is voor mij veel”.
Kwalificatie: moedwillige verdraaiing; wat Hoogland eerder snapte (de lading van zijn woordgebruik) telt nu niet meer.

Anoniem1‏: “Ellende die andere landen nooit bezigen? Dat riekt op deze wijze toch naar antisemitisme. Maar die beschuldiging zal ik uw niet doen aanreiken. Juist dat is waar dit hele draadje op begon. Uw wijst naar Israël, tracht te verwarren en verdedigt door te beschuldigen. Dat is vreemd.”

Jan Hoogland‏: “Als de consequentie van kritiek uiten op de staat Israel is dat je voor antisemiet wordt uitgemaakt zegt dat meer over degene die de beschuldiging uit dan over mij. Dan kun je nooit kritiek op Israel hebben omdat het een Joodse staat is.”

Anoniem1‏: “U trechtert zelf de ellende richting Israël. Ik tracht het juist breed te trekken. U ontkent te zeggen dat Israël de schuld is van veel ellende in de wereld terwijl ik u erop wijs dat u dit wel doet. Nogmaals; ik beschuldig u niet maar wijs op uw woorden en de interpretatie daarvan.”

Jan Hoogland: “Prima, en ik heb uitgelegd hoe ik het bedoel. Er is veel ellende in de wereld, veel te veel. Ik heb al lang geleden gekozen om op te komen voor de Palestijnen. Choose your battles”.
Kwalificatie: blinde onachtzaamheid; hij suggereert dat er evenveel activisme is voor bijvoorbeeld de Rohinya’s of de Westerse Sahara en dat hij zich net zo goed daarbij had kunnen aansluiten, maar dat klinkt op een of andere manier niet geloofwaardig.

Anoniem1‏: “De Palestijnen. Ook al zo vredelievend en verbindend volkje....”.
Kwalificatie: moedwillige grofheid.

Jan Hoogland: “Lees NRC vanavond over Gaza.”

Anoniem1‏: “Nee joh. Ik lees die propaganda niet. Straks word ik net gelijk zo selectief blind als u...”
Kwalificatie: moedwillige grofheid.

Jan Hoogland‏: “dan weet ik eindelijk wat voor vlees ik in de kuip heb, als je NRC als propaganda bestempelt. Veel plezier op DDS. Ik begin nog medelijden te krijgen met je. ik dacht in het begin met die 'oprechte vraag' echt even dat ik in gesprek kon komen met je.”

Anoniem1‏: “Dat dacht ik -oprecht- ook.. Maar de selectieve verontwaardiging ging al snel naar pro palli en dat kan ik- Excuse Le monde- met geen noot serieus nemen. Daarnaast draait en bagataliseert u in uw eerste tweet. Het werd daarna weinig ‘beter’.. Daarnaast ‘dicht’ u mij DDS(?) toe?

Jan Hoogland‏: “De Dagelijkse Standaard. Ken je die echt niet? Dat pleit dan weer voor je ;-) Ik verzeker je dat ik niets anders wil dan alle goeds voor iedereen. Ik wens de Israelische burgers vrede toe, en de Palestijnen ook uiteraard.”

Anoniem1: ‏“Dan ken ik het wel maar lees dat niet. Te gekleurd. Fijn. Ik wens ook een ieder op deze wereld consensus en vrede toe. Niemand uitgesloten!”

Een verwarrende ervaring, deze conversatie. Samenvattend zou ik zeggen dat de blindheid gelegen is aan de kant van Hoogland, en een soort onbeschoftheid aan de kant van Anoniem1. Hoe vervolgens de sluizen open gingen voor botheid, blindheid, en grofheid op werkelijk onsmakelijk grote schaal blijft hier verder onbesproken. Toen hadden Hoogland, Hoogwout en Anoniem1 zich al teruggetrokken.

Zie ook Lucebert

donderdag 8 maart 2018

Hardnekkig dualisme


Het zou voorbij zijn, dachten we, werd ons verteld: de heilloze tweedeling tussen degenen die de Waarheid kenden en zij die in duisternis leefden. Dat was voortaan iets van onze lang voorbije jeugd, of van de middeleeuwen. Sinds de jaren zestig hadden we ons immers bevrijd van dat dualisme van zondaars en heiligen. In de plaats daarvan omarmden we een zeker relativisme, we wisten ons bevrijd van absolute waarheidsclaims.

Maar het is helemaal niet voorbij. Want er is sinds die tijd een nieuwe ideologie ontstaan die zich, net zo zeer als de oude religies, beroept op absolute waarden en een bijbehorend onderscheid tussen goed en kwaad. Ik doel op het ‘mensenrechtendiscours’ dat vanaf de jaren vijftig een grote vlucht heeft genomen in het Westen. Je kunt spreken van een nieuw geloof. En dat geloof blijkt soms een treffende overeenkomst te hebben met het aloude Christelijke dualisme: het stelt niet de vraag naar de uitvoerbaarheid van zijn verheven idealen, dat zou te prozaïsch zijn - te weinig heilig, zeg maar.

Toeval of niet, zowel NRC als Trouw kwam afgelopen weekend met artikelen rondom dit mensenrechtendiscours. In een NRC-twistgesprek met Barbara Oomen wijst Andreas Kinneging op de praktisch-morele oorsprong van mensenrechten. Zij werden in het leven geroepen voor bescherming van de individuele burger tegen de staat met zijn machtsmonopolie. Van daaruit heeft het concept zich ontwikkeld tot een catalogus van afdwingbare rechten met een absoluut karakter. Als zodanig, zegt hij, hebben mensenrechten het Christendom vervangen als religie. “Dit evangelie wordt mondiaal met geld en wapens uitgedragen.”

In Trouw ziet Rik Torfs eveneens de ontwikkeling van mensenrechten van simpele rechtsbeschermingsregels, niet los te zien van de democratische rechtsstaat, naar een steeds verhevenere, nobelere, absolute invulling. Torfs ziet dat niet zo zitten, hij verkiest “sobere denkers boven bevlogen, hooggestemde idealisten.”  Maar hij kan niet anders dan vaststellen dat die metafysische aspiraties op mensenrechten geprojecteerd worden door “heel wat mensen die tot de culturele elite (en vaak tegelijk tot de politieke linkerzijde) behoren”. De zogenaamde Gutmenschen, voor wie goedheid niet zozeer een morele attitude is, als wel een punt van geloof. Voor hen, aldus Torfs, zijn de mensenrechten “een manier om filosofische ‘absolute waarheid’ die theoretisch niet meer houdbaar is via de omweg van de mensenrechten toch binnen te smokkelen”.

Dat het mensenrechtenactivisten in veel gevallen gaat om “metafysisch heimwee” ziet Torfs bevestigd in het feit dat zij een essentiële morele vraag niet stellen: die naar de praktische haalbaarheid van hun idealen, bijvoorbeeld van ongelimiteerde gastvrijheid voor migranten. Het aloude dualisme blijkt niet verdwenen te zijn, het wordt voortgezet met andere middelen.

Zie ook Mensenrechten, pragmatisch bekeken

vrijdag 2 maart 2018

Zondebok (2)


Het boek van Jonathan Sachs Niet in Gods naam. Een pleidooi tegen religieus extremisme en religieus geweld bespreekt het geweld dat gepleegd wordt in naam van de Joodse, Christelijke of Islamitische God. Sacks zoekt in het boek naar een aanvaardbaar antwoord, vanuit die drie religies zélf, op het extremisme dat zij produceren. Het zwaartepunt van het boek ligt wat mij betreft in het middendeel waarin hij bij de Bijbelse verhalen van Genesis over broedertwist te rade gaat voor een model aan de hand waarvan mensen met elkaar in vrede kunnen leven. Cruciaal daarin is het begrip ‘innerlijke omkering’. In het slotdeel betoogt hij dat ook de drie abrahamitische religies (Jodendom, Christendom en Islam) onderling met behulp van omkering en inkeer hun broederlijke geweld moeten kunnen stoppen.

In de aanloop naar zijn weergave van de broedertwisten uit Genesis presenteert Sacks het ‘zondebokmechanisme’. Dat concept is afkomstig van de Franse denker René Girard, en deze gebruikt het om het proces aan te duiden met behulp waarvan twee rivaliserende partijen hun onderlinge conflict beëindigen door de schuld voor hun vete af te schuiven op een derde partij en die te doden: de zondebok. Dat is, aldus Girard, een effectieve manier om de cyclus van geweld en tegengeweld te doorbreken. Voorwaarde voor de effectiviteit is wel dat die derde partij buiten het conflict staat, en niet in de positie verkeert om zelf geweld toe te kunnen passen.

Het woord zondebok verwijst naar het ritueel uit de oude Israëlitische viering van Grote Verzoendag, waarbij een bok door handoplegging van de hogepriester symbolisch beladen werd met de zonden van het volk. Vervolgens werd de bok naar een ravijn gebracht en in de afgrond gestort, waarmee – opnieuw symbolisch – de zonden werden opgeruimd.

Dat klinkt wreed genoeg, ook als het een bok betreft, maar het wordt wat mij betreft pas echt erg als er een mens geslachtofferd wordt. En dat is precies wat er volgens Girard gebeurd is in een aantal historische gevallen: daar zijn mensenoffers gebracht, met de (veelal onbewuste) bedoeling om intern geweld, dat anders de gespleten groep zou vernietigen, af te weren. Denk aan Jezus, in het conflict tussen helleniserende en strikt Tora-getrouwe Joden. Denk aan Joden in middeleeuws Europa dat diepgaand gespleten was langs lijnen van zondaars en heiligen, en dat zijn onlustgevoelens maar al te vaak botvierde op Joodse gemeenschappen.

Je zou denken: Jonathan Sacks komt met René Girard en het zondebokmechanisme omdat hij dat bij zijn presentatie van de Genesis-broedertwisten in het middendeel en daarna goed kan gebruiken. Maar opmerkelijk genoeg, terwijl je erop zit te wachten, treedt daar de zondebok niet op. Het mechanisme speelt in het midden- en slotdeel van Sacks’ boek geen rol.

Sacks maakt daar wel gebruik van een ander begrip van Girard, namelijk de ‘mimetische begeerte’. Dat is het verschijnsel dat de ene mens graag wil hebben wat de andere mens al heeft, of wil zijn wat de andere mens al is. Dat is probleemloos toe te passen op Jacob die graag Esau wil zijn, en op Jozefs broers die jaloers zijn op diens veelkleurige mantel.

Maar, zo wordt Sacks niet moe om te benadrukken, al deze broedervetes en jaloezieën worden uiteindelijk opgelost doordat een of beide van de betrokken partijen een innerlijke ommekeer beleven, of zich leren in te leven in de andere partij. En dat gebeurt steeds precies op tijd, waardoor uiteindelijk een beroep op een zondebok, en dus een mensenoffer, niet nodig is.

Wil Sacks ons daar op deze manier op wijzen?

Zie ook Ongemakkelijke vragen

vrijdag 16 februari 2018

Lucebert


Wat mij betreft liever geen al te strikte zwart-wit schema’s bij de beoordeling van de nu aan het licht gekomen nazistische sympathieën en het antisemitisme van Lucebert.

Dat antisemitisme was, hoe erg ook om ons dat te realiseren, waarschijnlijk gemeengoed in veel kringen en in de omgeving waar Lucebert opgroeide.

En verder, dat een gevoelige en zoekende jongeman zonder veel bagage van 18, 19 jaar onder de indruk raakt van een ideologie die hoe dan ook daadkracht en vitaliteit vertoont, dat vind ik niet vreemd of ontstellend. Ik heb ooit Otto Treumann – de latere ontwerper van het El Al logo – weleens horen vertellen over zijn fascinatie voor de kracht en schoonheid van nazi-manifestaties die hij als jongen zag in Berlijn. Als hij niet Joods was geweest en niet had moeten vluchten, was hij voor die aantrekkingskracht mogelijk ook (tijdelijk) gezwicht.

Wat mij stoort is hoe zeer de stijl en trant van Luceberts eigen denken wél gekenmerkt worden door een voorkeur voor zwart-wit schema’s. Dat blijkt in de oorlog al door de manier waarop hij zijn antisemitisme verwoordt: het gaat daar niet om zomaar een hekel aan Joden, of aan hun handel of hun luidruchtigheid – waar anderen het over hadden. Nee, Joden vormen voor hem een bijna metafysisch bepaalde, in feite minderwaardige categorie van mensen. (Merk op, als ironisch terzijde, dat onderdeel van die karikatuur bij Lucebert een ‘gebrek aan vechtlust’ is, terwijl huidige karikaturen dat precies omdraaien.)

En als na de oorlog voor iedereen, ook voor Lucebert, duidelijk wordt hoezeer nazi-Duitsland synoniem is met misdadigheid en perversiteit, kiest hij voor het anti-fascistische kamp. Maar ook dat gebeurt op een zwart-wit manier, in die zin dat hij zich volledig concentreert op de nieuwe strijd en (in ieder geval voor de buitenwereld) zijn eigen verleden uitwist. Het was kennelijk erg moeilijk voor hem om mengvormen van zwart en wit, gebrokenheid, een niet-brandschoon verleden, tot zijn bewustzijn toe te laten.

Als één van Luceberts motto’s was om “de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking te brengen”, heeft hij op dit punt dan niet ernstig gefaald? Als kunstenaar en als mens?

Zie ook Wissen