donderdag 29 maart 2012

Behapbaar


Het is niet overdreven om te zeggen dat in ons land, tot op de dag van vandaag, de Tweede Wereldoorlog gehanteerd wordt als een onwrikbaar ijkpunt voor goed en kwaad. Het gehele na-oorlogse tijdvak van bijna zeventig jaar wordt, in moreel opzicht, gedomineerd door dat thema. Soms aangesneden door opinieleiders, zoals Boebie Brugsma, die goed wisten waar ze het over hadden, soms door zelfbenoemde bewakers van de moraal zoals Hugo Brandt Corstius of Jan Blokker. En ook wel aangeroerd door consciëntieuze burgers die zich afvroegen of ze genoeg gedaan hadden of zeker wisten dat ze niet genoeg gedaan hadden, zoals mijn vader.

In de geschiedschrijving kwam de preoccupatie met zwart en wit duidelijk tot uitdrukking in de officiële Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong. Op basis van die boeken leek je messcherp onderscheid te kunnen maken tussen de landgenoten die zich goed en die zich fout gedragen hadden. De Tweede Wereldoorlog werd een ultiem ijkpunt.

Door de daarop volgende generatie historici, ruim genomen die van Hans Blom en Chris van der Heijden, werd dat goed/fout schema terecht genuanceerd. Het werd duidelijk dat veel Nederlanders in die kwade dagen probeerden er nog het beste van te maken en zich er doorheen gemodderd hebben.

Maar die nuancerende benadering houdt ook iets onbevredigends, want er zíjn natuurlijk vreselijke dingen gebeurd, en meer dan eens naast de deur. Daar moet je toch wat mee?

Probleem is dat je er niet veel mee kunt, het is te groot. Hier stond een almachtig en ijzingwekkend  kwaadaardig staatsapparaat tegenover kleine en onmachtige individuen. Je probeert je voor te stellen wat je zelf zou hebben gedaan. Maar juist dan slaat een gevoel van onmacht en  frustratie toe. Want wij zitten in de spagaat tussen een bijna absoluut moreel ijkpunt uit het verleden en ons huidige gemakkelijke humanisme.  De kloof tussen onze pretparksamenleving  (“hier gebeurt nooit iets”, gelukkig hebben we Rutger Castricum nog) en een misdadig regime is voor ons voorstellingsvermogen nauwelijks overbrugbaar.

Je zou willen dat je kon oefenen om voorbereid te zijn op het soort moreel verwerpelijke situaties als die van de Tweede Wereldoorlog. Maar dan zonder je daarvoor in een Derde Wereldoorlog of in Syrische of Iraanse toestanden te hoeven storten. Het is goed om je de vraag te stellen: wat zou ik doen in zulke omstandigheden, maar niet direct aanbevelenswaardig om die omstandigheden op te zoeken.

Nu hoeft dat ook niet, want daar schiet ons het mesoniveau te hulp dat ik in een vorig blogbericht heb omschreven als het niveau van samenleven dat zich bevindt tussen de staat (het macroniveau) en het individu (het microniveau). Het is het niveau van buurtschappen, arbeidsorganisaties, sportverenigingen enzovoorts. Wel aanwezig in de publieke ruimte, maar aan elkaar hangend van meer of minder formele persoonlijke relaties.

Goed beschouwd vertonen zich op dat niveau alle morele verschijnselen die we kennen van oorlogssituaties op het macroniveau. Strikte loyaliteit, dubbele loyaliteit, Joodsche Raad-achtige dilemma’s, sabotage, verzet, schijngedrag, autoritair gedrag: het is er allemaal. Zelfs – of juist - in bureaucratische organisaties lopen de emoties vaak huizenhoog op  (of zou dat alleen in Amsterdam zo zijn?) en de woorden ‘geweld’ en ‘verdriet’ misstaan bepaald niet in deze omgevingen.

Door het opzoeken van het mesoniveau verlaat je het macroniveau waarop de polariteiten onoverbrugbaar zijn: die van een absoluut ijkpunt en een irrelevante alledaagse werkelijkheid. Die dualiteit moet je achter je laten want die is in zekere zin vals. Niets is alleen goed of alleen slecht of alleen neutraal, want alle moraliteit is ambigu. Maar daar kom je alleen maar achter door ermee te experimenteren. En als individu kun je dat experimenteren niet of nauwelijks doen op het macroniveau, zo leren ons de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog en van de Syrische en Iraanse rebellen – tenzij je uitzonderlijk moedig bent.

Voor minder heldhaftigen biedt het mesoniveau een beter oefenterrein voor het omgaan met de morele dubbelzinnigheden in ons leven. Op het mesoniveau is de schaal kleiner en zijn de gevolgen iets beter te overzien. De afstanden tussen machthebbers (bazen) en onderdanen (medewerkers) zijn wat kleiner, de reikwijdte van de zeggenschap wat minder totaal, de bereikbaarheid van beschermende instanties eromheen wat beter. Het experimenteert lekkerder op een behapbare schaal. 

Zie ook Lang leve het mesoniveau

vrijdag 23 maart 2012

Geschiedenis die zich laat kennen


Dit seizoen volg ik bij Crescas de cursus “3500 jaar Joodse geschiedenis” door Bart Wallet. Dat doe ik met veel plezier want een poging om in relatief zo weinig cursusavonden zo’n groot verhaal verteld te krijgen blijft spannend om mee te maken. Alle geschiedenis vereist altijd selectie van thema’s en accenten maar hoe meer je in minder propt, des te nadrukkelijker zullen de gehanteerde selectiecriteria aan de dag treden. De grote greep vereist een specifiek eigen begrip van het geheel.

Dus ik volg de cursus vooral voor een antwoord op de vraag: waar in die hele lange geschiedenis gebeuren er opmerkelijke dingen? Ik bedoel, de dingen die die geschiedenis Joods maken omdat ze raken aan de Joodse identiteit. Welke dingen zijn dat in de ogen van deze docent?

Tot nu toe zijn er (we zijn pas bij het Christelijke jaar nul), wat mij betreft, twee belangrijke nadrukken gelegd. De eerste was een accent dat koning Achab (negende eeuw voor het jaar 0) mee kreeg. Gemeten naar alle gebruikelijke maatstaven voor geslaagd koningschap in zijn tijd deed Achab het goed, zo vertelt de archeologie ons. Hij verdedigde zijn gebied met succes tegen de Assyriërs, hij voerde grote bouwprogramma’s uit en tijdens zijn heerschappij was er welvaart in het land. Maar van de schrijvers van het boek Koningen krijgt hij de wind van voren. Hij was in hun ogen te liberaal op religieus gebied doordat hij, onder invloed van zijn vrouw Izebel, afgodendienst toestond. Wallet wijst erop dat de Joodse geschiedschrijvers hier een opmerkelijk oordeel vellen.

Het tweede opmerkelijke accent betreft de houding van de Hellenen (derde eeuw voor het jaar 0) tegenover de Joodse godsdienst. De Hellenen hadden onder aanvoering van Alexander de Grote het hele Midden-Oosten veroverd en zij stonden erom bekend dat ze overal waar ze de macht kregen de plaatselijke goden respecteerden. Zij brachten wel hun eigen Helleense goden met zich mee, maar de tempels die daarvoor nodig waren plaatsten ze naast de tempels van de lokale goden, niet in de plaats ervan. Alleen in Jeruzalem deden ze dat anders: daar plaatsten ze een beeld van hun god Zeus in de tempel van de Joden. Zeer opmerkelijk inderdaad.

Dus ik kom wel aan mijn trekken, wat die accenten betreft. Hoewel bewustwording van die bijzonderheden direct nieuwe vragen oproept. Bijvoorbeeld als het gaat om Achab: zijn er geen parallelle voorbeelden van een dergelijk normatief accent in de geschiedschrijvingen van  omringende of andere culturen in die tijd?

En ten aanzien van de Helleense schending van de Jeruzalemse tempel: kwam dat nu uit de lucht vallen of was er al iets aan de hand met dat Jodendom waardoor de Grieken een andere houding aannamen tegenover de Joden dan tegenover andere overwonnen volkeren?

Wordt vervolgd.

Zie ook: Godsdienst en geschiedenis

vrijdag 9 maart 2012

Lang leve het mesoniveau


De timing voor dit stukje is wel een beetje raar. Want ik zit zelf midden in een reorganisatie – en organisaties bevinden zich op het mesoniveau (of “tussenniveau”) waar het hier over gaat – die bepaald niet vlekkeloos verloopt. En juist nu ga ik de lof zingen van dat mesoniveau? Maar goed, kennelijk zijn onderstaande gedachten sterker dan mijn huidige werkelijkheid.

Die gedachten vertrekken vanuit een indeling in drie niveaus waarop wij ons gezamenlijke leven organiseren. Te weten: het macroniveau van regelgeving door de overheden - Europees, nationaal of lokaal; het mesoniveau van organisatie en management in particuliere bedrijven, scholen en overheidsorganisaties; en het microniveau van het gezin en de buurt.

Het microniveau laat ik hier buiten beschouwing, ik concentreer me op de gedachte dat er mogelijk een belangrijk verschil is tussen het mesoniveau en het macroniveau. Het eerste biedt naar mijn idee meer mogelijkheden voor de organisator/regelaar tot menswaardige interactie dan het tweede.

Neem bijvoorbeeld op het macroniveau de regelgeving die bepaalt wie er wel en wie niet in Nederland mogen wonen. Aan die regelgeving moet de eis gesteld worden dat die duidelijk is en in gelijke mate van toepassing op iedereen die het betreft. Dat is een kwestie van rechtvaardigheid die, vanwege het publieke karakter van de regelgeving, strikt gehandhaafd moet worden.

Nu zijn er, ook voor regelaars op dat niveau, wel manieren om tegemoet te komen aan mensonterende toestanden die van die regeling het gevolg zijn. Voor schrijnende gevallen kan de regelaar een beroep doen op zijn discretionaire bevoegdheid en minister Leers heeft dat bijvoorbeeld in het geval van Mauro gedaan. 

Maar meteen wordt duidelijk hoezeer dit wringt: “Kamerleden kennen vele Mauro’s” en “Eén grote asielzoekerloterij” luiden de krantenkoppen. En met iedere talkshow met weer een andere Mauro erin neemt de manoevreerruimte voor de minister af als hij niet terecht wil komen in de willekeur van showbizzpardons. “Als je zulke enorme macht over mensenlevens bezit, kun je geen uitzonderingen maken omdat iemand toevallig in de media komt”, schreef Rosanne Herzberger terecht.

Vergelijk dat met de positie van een regelaar op het mesoniveau: de manager of organisator. Ook die moet goed in de gaten houden dat gelijke monniken gelijke kappen dragen. Maar de rechtvaardigheid hoeft daar niet het strikte karakter te hebben dat overheidsregelingen moeten hebben. Er is een vorm van rechtvaardigheid mogelijk die voortkomt uit persoonlijke ontmoetingen tussen de regelaar en zijn mensen, uit kennis van individuele mensen.

Directe interacties kúnnen daar een plaats krijgen, simpelweg omdat regelaar en medewerkers elkaar fysiek vaker tegenkomen dan een minister zijn burgers. Maar ze mógen dat ook omdat er geen publieke en daardoor strikte rechtvaardigheid vereist is.

Het mesoniveau neigt vergeleken met het macroniveau al wat meer naar het gezin. Daar kun je best wisselen in de aandacht die je aan de een of de ander besteedt zonder dat de rechtvaardigheid in het geding is. Als de interactie met je mensen je lief is kun je daar heel wat mee in organisaties. In ieder geval meer dan minister Leers ermee kan op zijn niveau.

Zie ook Behapbaar en Levinas en Israël

donderdag 1 maart 2012

Een kwestie van PR?


De reputatie van Israël en het beeld van Israël in de media zijn gevoelige kwesties.

Het is logisch dat dat geldt voor Joden. Komend vanuit een geschiedenis die, om het zacht te zeggen, niet altijd het beste in petto had, belichaamt Israël een vluchtheuvel waarvan het belang niet snel te overschatten is. Het land is een baken voor Joden in de hele wereld, of zoals Abel Herzberg zei, een blanco checque die klaar ligt voor inwisseling als het weer een keer fout gaat. Los daarvan, daar heeft men familie en vrienden wonen en men voelt zich er direct thuis door de Joodse en tegelijkertijd moderne atmosfeer. Als zo’n dierbaar baken voortdurend onder het vergrootglas van de media ligt ben je als vanzelf op je hoede voor eenzijdige of partijdige berichtgeving. Antisemitisme ligt overal op de loer.

Maar die gevoeligheid geldt ook voor niet-Joden. De redenen daarvoor zijn iets minder eenduidig maar, denk ik, ook vooral historisch van aard. In ieder geval in West-Europa heersen verlegenheid en schuldgevoel voor wat de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarvoor, teruggaand tot in de Middeleeuwen, is aangedaan. Tegelijkertijd knaagt de vraag of de naoorlogse steun aan Israël vooral voortkwam uit het verlangen om het eigen schuldgevoel te delgen en of men zodoende weer niet verantwoordelijk is voor nieuwe slachtoffers, nu Palestijnen. En misschien heeft men gewoon een keer onprettige ervaringen gehad met fouilleringen of veiligheidsverhoren bij gelegenheid van een vlucht naar Israël.

Hoe dan ook, berichtgeving over Israël is een gevoelige kwestie. Vandaar dat in Joodse kringen regelmatig gezegd wordt dat, als die berichtgeving niet gunstig is, Israël zijn PR moet verbeteren. Of anders gezegd, het beroerde imago van Israël komt omdat het land zijn PR niet op orde heeft.

Maar die conclusie waag ik te betwijfelen omdat daarin een te grote rol wordt toegekend aan beelden die los zouden staan van de werkelijkheid. Er zijn gewoon teveel kwalijke of onaangename dingen aan de hand. Ik zou niet weten hoe je de vernieling van een olijfboomgaard aan de Palestijnse kant van de Groene Lijn kunt opleuken. Of hoe je een prettige draai kunt geven aan de door het leger ondersteunde greep van vijfhonderd Joodse fanatici op de honderdzestigduizend Palestijnse inwoners van Hebron.

Onrecht is onrecht en dat zal verontwaardiging blijven wekken. En het kan best zijn dat antisemieten dankbaar gebruik maken van die verontwaardiging om hun antisemitisme te rechtvaardigen en aan te scherpen. Maar naar mijn idee is de enige manier om díe bron van antisemitisme te stoppen: door als Joden luid en duidelijk per incident onze afkeuring uit te spreken over wat er aan Joodse kant aan onrecht gedaan wordt. En meer structureel gesproken, door te pleiten voor terugtrekking van Israël uit de bezette gebieden.

Ik ben niet zo naïef om te denken dat je daarmee het antisemitisme stopt. We hoeven niet de illusie te hebben dat overtuigde antisemieten door voorbeeldig Joods gedrag van overtuiging veranderen. Want dat diepgewortelde, bijna metafysische antisemitisme trekt zich niets aan van de feiten, het opereert fact free. Maar laten we zelf zorgen dat we niet fact free zijn en ook onrecht aan eigen kant als onrecht benoemen. We zijn niet onmachtig.

Zie ook De man van hoger honing